27 maart 2026

EEN KRIOELENDE WERELD


De bodem waarop wij lopen, in de vrije natuur en die verborgen wordt onder tegels en asfalt, is een ongelooflijk wonder. Het krioelt er van leven. Die bodem draagt niet alleen de planten maar is ook en vooral de voedende ondergrond voor alle plantjes en planten, struiken en bomen, die we overal tegenkomen.

ONTELBARE AANTALLEN

Als het over de bodem gaat weten de meesten van ons wel dat er behalve de wortels van de planten ook allerlei diertjes aanwezig zijn, zoals mieren, termieten, aardwormen, regenwormen, e.d. Dit zijn de gemakkelijk zichtbare diertjes. Die vormen echter een zeer kleine minderheid ten opzichte van de veel kleinere diertjes, in honderden soorten en in ontelbare aantallen die daar leven en 'hun werk doen'. Vaak clusteren ze rondom de wortels, maar ook zonder die wortels wemelt het er van een ontelbare 'bevolking'. Hier kan ik alleen wat voorbeelden noemen om een indruk te geven. Verderop zal ik er plaatjes van geven. Een goede microscoop toont je springstaartjes, keverachtige mijten, lintvormige aardwormen, tardigraden, en als je je microscoop nog dieper laat kijken zie je 'oneindig veel' soms moeilijk te classificeren amoeben, protozoën, algen, bacteriën en virussen, allemaal ééncellig of meercellig miniscuul maar écht léven.

Een eetlepel gezonde, humusrijke grond, bevat een bevolking van meerdere keren het aantal mensen op onze wereld, dus meerdere keren acht miljard ! Een gram vruchtbare grond kan miljarden microben en virussen bevatten, miljoenen protozoën en algen, honderden microscopische lintvormige wormen, tientallen mijten en springstaarten - en duizend meter schimmeldraden !

ÉÉN LEVEND WEZEN

Zoals overal waar leven is, heeft ook de bodem alle menselijke pogingen om dit precies te omschrijven getart: levende materie is uiteindelijk zo rijk, zo complex en zo ontelbaar dat de bodem het beste als één levend wezen beschreven kan worden. Een levend wezen, dat weer onderdeel is van het levende geheel van onze aarde GAIA. Over dat enorme levende geheel heb ik wat verteld in mijn vorige bijdrage over Natuurwijsheid.

ONTSTAAN

Teruggaand in de geschiedenis van de aarde kunnen we constateren dat enkele miljarden jaren geleden rotsen, gebergten en dalen zijn ontstaan door aardbevingen, uitbraken van vulkanen, botsende 'drijvende' continentale platen, en andere geologische processen. Deze rotsen ondergingen en ondergaan voortdurende verwering door de invloed van water, wind, variërende temperaturen (inkrimpen en uitzetten), de kooldioxide en andere stoffen in de lucht, maar óók door allerlei 'klein' leven dat zich er op ontwikkelde. Denk b.v. maar aan korstmossen (afb.) die zich voeden met hun ondergrond en zo weer nieuw biologisch materiaal voortbrengen. Zo ook grassen en grotere gewassen, die niet alleen binnendringen in het anorganisch materiaal maar er ook mee samenwerken. Door dat samenspel van organisch en anorganisch materiaal is namelijk een laag vruchtbare bodem ontstaan. Dat is een miljoenen jaren durend transformatieproces (geweest) waarin zich een vruchtbare toplaag van 20 tot 30 centimeter heeft gevormd, die als de actieve wortelzone wordt beschouwd. Natuurlijk groeien sommige wortels dieper, b.v. van bomen met een penwortel, maar de grote biologische activiteit heeft toch vooral plaats in die toplaag. Dáár vooral ontstond een grote variëteit aan 'oerplanten', onder andere doordat de rotsen van verschillende chemische samenstelling waren, sommige planten beter passen bij sterker zonlicht, meer vocht, krachtigere wind, en zo meer.
Zo ontstonden er in feite vele soorten lévende bodem waarin alle onderdelen samenwerken. Het is wonderlijk hoe overal zich zelf-regulerend systemen ontstonden en nog steeds ontstaan, systemen die zich ook voortdurend aan de veranderende omstandigheden aanpassen en zo blijven leven.

TWEE LAGEN

In feite zijn de planten die zichtbaar bóven die bodem groeien samen met de bodem óók weer een samenwerkend 'systeem'. Boven en onder, twee 'lagen', die elkáár op ingenieuze manieren helpen.
De bodem is dus niet alléén datgene wat de rest erboven 'draagt' of stevigheid geeft, of wat alleen dient als een tijdelijke voorraadschuur voor voedingsmiddelen. De planten 'boven' voeden op hun manier ook weer de bodem. Heel belangrijk daarbij is vooral de fotosynthese in de groene bladeren, die de energie van het zonlicht en het aanwezige kooldioxidegas opnemen en daar in een ingenieus proces verschillende suikers van maken en zuurstof aan de omgeving afgeven.
Die suikers gaan via de omlaaggaande sapstroom naar de bacteriën en de vele andere wezens in de bodem als voeding voor groei en functioneren.
Van de andere kant stellen de wezentjes in de bodem de typische voedingsmiddelen voor juist déze planten samen en schenken die via de wortels aan de plant die ze via het omhooggaande water op de juiste plaatsen brengt. 
Het is dus een samenwerking waarbij het leven van beiden, de planten en de bodem, van elkáár afhangt. Het is een zeer actieve én gerichte samenwerking. 

INDRUKWEKKEND SAMENSPEL


De wortels dringen door de aarde, maken ze losser, scheppen nieuwe ruimten voor microben en schimmels, maken kanalen voor lucht en water en vormen, recht onder onze voeten, uitgebreide wortelstelsels. In die ruimten verorberen aardwormen, slakjes, geleedpotigen, tardigraden en hun andersoortige collega's grote volumes aarde en scheiden duurzame, voedselrijke producten uit. Daarnaast hebben microben en schimmels in de loop van de tijd het vermogen ontwikkeld om moeilijke materie toch 'klein te krijgen'. Zo kunnen bepaalde microben de taaie cellulose van de wanden van plantencellen afbreken tot kostbaar organisch materiaal en kunnen speciale schimmels het nog weerbarstigere lignine aan, de stof die (o.a. in de schors) veel stevigheid geeft aan planten en bomen.

Andere grote en vooral (zeer) kleine diertjes breken in gespecialiseerde groepen rottend materiaal af, maken bepaalde chemische stoffen vrij voor transport 'naar boven' (b.v. voor de kleur van de appels). 
Schimmels (afb.) produceren kilometers lange draden (buisjes) waarmee ze ook verbinding maken met andere planten, deze voeding geven, helpen bij ziekte en zelfs signalen geven bij dreigend gevaar. Het is allemaal nauwelijks voorstelbaar !

HUMUS

Die prachtige samenwerking tref je vooral aan in wat wij humus noemen. Dat is het belangrijkste organische onderdeel van vruchtbare grond. Het is een donkere, mysterieuze, wat vettige en zeer rijke substantie, waarvan de precieze samenstelling nog steeds niet helemaal bekend is. Je komt er bij voorbeeld weerbarstige stukjes gedeeltelijk vergane plantencellen in tegen en het bevat ook een rijkdom aan eiwitten, vetten en suikers. Veel daarvan is gehecht aan minerale deeltjes en zo ontstaat de luchtige korrelvorming.

Humus is ook heel specifiek voor ieder ecosysteem, dus voor ieder min of meer samenhangend stukje natuur : een bos, een wei, een begroeide helling, een vijver, een moeras, een beekoever, enz.
Het zal je niet verbazen dat veel biologen die vruchtbare aarde als het meest complexe biologische materiaal op aarde beschouwen.

SCHADE

Het is daarom ook duidelijk hoeveel schade wordt veroorzaakt door menselijk ingrijpen door ontbossing, intensief/diep ploegen, uitgebreid gebruik van chemicaliën en andere vormen van overvragen of misbruiken van de natuur en haar krachten. Dáár kunnen we hier jammer genoeg nu niet op ingaan.

Wél kan ik, ter afronding, nog wat plaatjes laten zien van enkele van die actieve bewoners van de ondergrond, die voor de plantengroei, voor het klimaat en uiteindelijk voor ons menselijk leven zó belangrijk zijn.

==================================

KEVERMIJTEN


Dit zijn kleine (0,2-1,4 mm), pantserdragende bodem-mijten die een cruciale rol spelen in het ecosysteem. 
Ze voeden zich voornamelijk met schimmels, mossen en rottend organisch materiaal, waardoor ze essentieel zijn voor de bodemvruchtbaarheid en de afbraak van bladeren. Ze zijn (in tegenstelling tot andere soorten mijten) onschadelijk voor planten en mensen. 




SPRINGSTAARTEN

Deze worden gekenmerkt door monddelen die in de kop liggen (een naar buiten komende buis) en meestal een gevorkte staart waarmee ze bij gevaar kunnen wegspringen. De meeste soorten zijn minder dan 6 mm lang, velen slechts enkele millimeters. Ze leven meestal in de bovenste lagen van de bodem, de zgn. strooisellaag, en voeden zich vooral met rottend organisch materiaal en schimmels. 


Ze kunnen in dat milieu in enorme aantallen voorkomen.






TARDIGRADES

Deze worden in het Nederlands beerdiertjes of  mosbeertjes genoemd. Het zijn microscopisch kleine, ongewervelde diertjes (0,1 tot 1,5 mm) met acht pootjes en zijn bekend om hun extreme weerstand tegen uitdroging, straling, kou en vacuüm. Ze kunnen tientallen jaren 'dood' overleven. Ze leven in vochtige mos- en korstmos-omgevingen en zijn echte veelvraten, verorberen grote hoeveelheden aarde en hun uitscheidingsproducten zijn bijzonder vruchtbaar.


NEMATODEN of BODEMAALTJES

Deze diertjes kom je 'overal' tegen: in zoet oppervlaktewater, op grote diepte in zeewater, in gebergten en woestijnen, in de vochtige grond (waar het hier dus over gaat), en dit in aantallen en soorten die veel andere dieren overtreffen. Zo komen ze b.v. ook voor op grote diepte in gesteente, zoals op 4 km diepte in een goudmijn in Zuid-Afrika. De hoogste aantallen zijn met name waargenomen in toendra's en in onze noordelijke bossen.

CYANOBACTERIËN of BLAUWALGEN

Dit zijn bacteriën die hun energie uit fotosynthese halen. Hun blauwgroene kleur heeft ze hun (algen)naam gegeven, maar het zijn echte bacteriën. Ze komen in zeer uiteenlopende omgevingen voor. Ze behoren tot de oudste en meest wijdverspreide organismen op aarde en verschenen al in het Archeum, de allereerste fase van de (pas ontstane) aarde, ongeveer 4 miljard jaren geleden. 
Ze waren de eerste organismen die het vermogen tot fotosynthese ontwikkelden. Ze kunnen de energie uit zonlicht vangen en dit gebruiken om water en koolstofdioxide om te zetten in organische verbindingen. Hierbij komt zuurstof vrij als bijproduct. Door dit proces hebben cyanobacteriën gedurende miljarden jaren een cruciale rol gespeeld in het verrijken van de aardatmosfeer met zuurstof, wat uiteindelijk leidde tot de mogelijkheid van evolutie van zuurstof-minnende levensvormen, zoals wij die nu over de hele aarde kennen.

REGENWORMEN

Deze verdienen de 'hekkensluiters' te zijn, want hun betekenis valt nauwelijks te overschatten. Een groot bioloog als Charles Darwin (de man van de natuurlijke evolutie) heeft zijn laatste grote boek helemaal aan hen gewijd !

Het natuurlijke gedrag van deze dieren kan de kwaliteit van je planten aanzienlijk verbeteren. De beestjes graven namelijk kleine tunnels onder de grond, waardoor water zich makkelijker door de bodem verspreidt. Hierdoor kunnen planten ook makkelijker water opnemen en nog beter groeien. De tunnels zorgen er ook voor dat er meer zuurstof in de grond komt voor sterkere wortels. De grond blijft bovendien vers doordat regenwormen van alles eten. Het zijn echte afvaleters die afgebroken materiaal van planten aanpakken, evenals blaadjes, plantenresten en ander dood materiaal - en dat alles poepen ze vervolgens 'bewerkt' weer uit, waardoor er door hun noeste arbeid en grote aantal altijd verse voedingsstoffen in de grond zitten en de grond ook zijn luchtigheid behoudt.

==================

Ja, inderdaad, een krioelende wereld, die misschien nog dichter bevolk is dan de wereld waarin wij mensen wonen, en waar de vruchtbare en slimme samenwerking ons mensen misschien nog ten voorbeeld kan zijn !


Johan Muijtjens
eind maart 2026









02 maart 2026

ONZE AARDE : EEN GROOT LEVEND GEHEEL

 DE STRIJD GAAT NOG STEEDS VOORT

De strijd namelijk, of onze aarde grotendeels 'dood' is en naar believen gebruikt kan worden - of dat het wezenlijk één groot levend geheel is, waar je met respect en zorg mee moet omgaan. De aarde als een enorme levenloze bol van ijzer, nikkel, koolstof, tin, silicium, enz. enz. met een héél dun laagje levende materie, met enkele, onderling verbonden, grote kuilen met water en bedekt met een iets dikker laagje met gas: stikstof, zuurstof, waterdamp, kooldioxide, methaan en nog wat - of is het toch méér ? Hoezó dan ? 


We weten ondertussen allemaal dat dit geen theoretische vraag is. De zorgen van velen om het misbruik van onze aarde draaien vooral dáárom: gewoon een gebruiksvoorwerp of een soort "partner" van ons mensen ? Oók levend ? Oók rechten hebbend ? Helemaal onderling verbonden?

Ruim vijftig jaar geleden (in 1972) kwam het grote rapport van de Club van Rome uit:  DE GRENZEN AAN DE GROEI. Dat rapport ging nog niet eens over leven en rechten e.d., maar beschreef 'eenvoudig' hoe wij mensen de aarde veel méér gebruiken dan ze kan 'bijhouden'. Onze groeiende exploitatie met alle neveneffecten overvráágt de mogelijkheden en nog erger: ondergrááft zelfs de (herstel)mogelijkheden van de aarde.

Interessant is dat er, al vóór dat Rapport verscheen,  vanuit een heel andere hoek, nl. de (micro)biologie, een hypothese geopperd werd, die onze kijk op de aarde sterk zou beïnvloeden. Ze werd aanvankelijk hevig besteden, maar na enkele decennia werd en wordt ze steeds meer als juist en zelfs heel waardevol erkend: de zogenoemde GAIA-theorie.

 DE GAIA-THEORIE

 De GAIA-theorie is een wetenschappelijke theorie, die stelt dat de aarde en ál haar biologische, geologische, atmosferische en chemische componenten samenwerken als één zelf-regulerend systeem. Dit idee werd in de jaren 1970 als geïntroduceerd door de Britse wetenschapper James Lovelock, met bijdragen van de Amerikaanse microbioloog Lynn Margulis.

James Lovelock zegt daarover:"De aarde zou kunnen levend zijn, niet als een gevoelige godin, die een doel nastreeft en een vooruitziende visie heeft, maar levend zoals een boom, die in stilte bestaat, die nooit beweegt of van plaats verandert, maar wel meebeweegt met de wind, die eindeloos met het zonlicht en de bodem communiceert. Hij heeft zonlicht, water, voedingsstoffen nodig om te groeien en om te veranderen. Dit alles gebeurt echter zó onopgemerkt, dat de oude eik op de weide voor mij dezelfde is als die toen ik eronder speelde als kind."

Er is heel wat begrijpelijke kritiek op deze theorie (eerst nog als hypothese) geweest, maar met name in de 21e eeuw is de GAIA-theorie verder ontwikkeld en is er een nog grotere waardering gekomen in het licht van de klimaatverandering en milieukwesties, die alle wijzen op - en eigenlijk ook alleen goed begrepen kunnen worden - door uit te gaan van een totaal-interactie, waarin alles met alles (en dus ook op alle niveaus) met elkaar verbonden is en op elkaar reageert.

    [ Even tussendoor: de keuze van de naam 'GAIA' was misschien wat ongelukkig, omdat het de naam is van de Romeinse godin van de aarde, en men dan zou kunnen denken dat de aarde 'vrouwelijk' is, of goddelijke eigenschappen heeft. Gewoon de naam AARDE is eigenlijk mooi genoeg.]


Veel inzichten zijn de laatste decennia gegroeid met name door de zich nieuw ontwikkelende wetenschappen, zoals b.v. de aard-systeem-wetenschap, de biogeochemie en de systeem-ecologie. De meeste wetenschappers zien de theorie niet als een letterlijke beschrijving van een "levende" aarde, maar eerder als een nuttig raamwerk om de interacties tussen levende organismen én hun omgeving steeds beter te begrijpen - waarbij ze metafysische en spirituele beschouwingen in het midden laten. Het draait in ieder geval om heel wezenlijke vragen, zoals
* wat is (biologische) leven en wat is dan een levend wezen ?
* hoe ontstond dat leven in de loop van de evolutie van onze aarde ?
* is het onze aarde werkelijk één samenhangend geheel ?
* en zo ja: is er sprake van wederzijdse beïnvloeding tussen het levende en het niet-levende ?

Allereerst: Wat zijn LEVENDE WEZENS ?

Levende wezens kunnen omschreven worden als: georganiseerde genetische eenheden, die stofwisseling, voortplanting, groei en evolutie kennen, die een in zichzelf functionerende eenheid vormen, en die tegelijkertijd ook in continue interactie staan met hun omgeving. Met andere woorden en iets eenvoudiger: een in zichzelf bestaand systeem, dat zich zelf onderhoudt, dat groeit en zich ontwikkelt en dat dit doet in interactie met zijn 'levende' én zijn 'dode' omgeving. Je kunt deze omschrijving op alle niveaus toepassen, van de kleinste eencellige wezens tot de meest imposante planten en dieren, inclusief de mens, ons menselijk lichaam met al die verschillende functies. Maar je kunt héél ver 'omlaag' gaan tot de microben, die je ook, in overvloed zelfs, binnen in gesteenten aantreft en die óók voldoen aan de omschrijving, ook al 'werkt' een en ander soms heel ánders dan bij 'ons'. 

EVOLUTIE van het leven en CO-EVOLUTIE

De evolutie van het leven zélf vanuit anorganische stof is tot nu toe een groot geheim. Deze uiterst fascinerende vraag heeft ongelooflijk veel onderzoek geïnspireerd, heeft ook verschillende theorieën opgeleverd, maar blijft een mysterie, ook al heeft men die 'sprong' al tot heel kleine stapjes teruggebracht.
Maar hoe bij voorbeeld een zeer gecompliceerd DNA molecuul ontstaan is, blijft een raadsel. 
De Gaia-hypothese, uitgaande van het bestáán van leven, suggereert nu dat organismen co-evolueren met hun omgeving. Dat wil zeggen: de levende organismen beïnvloeden de niet-levende (a-biotische) omgeving en die omgeving beïnvloedt op haar beurt weer de levende organismen. Ze trekken als het ware niet alleen gelijktijdig naast elkaar op, maar zijn inter-actief, elkaar voortdurend beïnvloedend, dus samen-wérkend. Dat kunnen we ons misschien nog wel enigszins voorstellen.

Maar het wordt complexer als je het in de loop van de geologische én biologische geschiedenis van de aarde bekijkt. Op dit punt toonde Lovelock aan hoe zich in de loop van miljoenen jaren vanuit bacteriën, die zich in een zeer warme en zure omgeving ontwikkelden, die van zwavelverbindingen 'leefden' en het gas methaan opleverden, geleidelijk aan ándere micro-organismen ontwikkelden die in meer gematigde omstandigheden gedijden, en met behulp van o.a. kooldioxide nu zuurstof (in plaats van methaan) voortbrachten - wat uiteindelijk een heel andere atmosfeer van de aarde heeft opgeleverd, met veel meer zuurstof, waarin nu meer complex leven mogelijk werd en dat uiteindelijk zózeer gedijde dat het plantaardige en dierlijke leven zich konden ontwikkelden in de ongelooflijke rijkdom die wij nu kennen.

ALLES ALS ÉÉN GEHEEL ?

Dat is een derde belangrijk element in de hypothese/theorie: niet alleen dat het om lévende wezens gaat, her en der, of dat deze zich ontwikkelen samen met hun anorganische omgeving, maar dat dit geldt voor onze planeet als geheel. De hele planeet in al zijn diversiteit. Zou je onze aarde werkelijk één levend wezen kunnen noemen? Hangt werkelijk ál het organische en anorganische op een of andere manier met elkaar samen, en draagt het allemaal bij tot léven in al zijn dimensies?

Natuurlijk kunnen we dat niet stukje voor stukje van onze aarde controleren. Maar we kunnen wel vaststellen, dat er zich letterlijk globaal (dus de hele globe betreffend) processen voltrekken, die wonderlijk genoeg allemaal meewerken tot optimale omstandigheden voor (hogere vormen) van leven - waarvan wij mensen tot nu toe wellicht de hoogste ontwikkeling zijn.

GLOBALE PROCESSEN

Je kunt dit op veel verschillende manieren bekijken én vaststellen.
We kiezen hier enkele verschijnselen, die allemaal in dezelfde richting van samenhang en samenspel wijzen, allemaal gericht op het scheppen van optimale omstandigheden voor het leven.

Wat daarbij misschien wel het eerste en meeste opvalt is wat de meteorologie laat zien: hoe het weer-systeem werkelijk de hele aarde omvat en dus álles beïnvloedt. Daarbinnen en daaronder spelen zich nog heel wat méér processen af. Van die processen beschrijven we er enkele, vooral om het globale beeld te verduidelijken en te bevestigen, niet om uitputtend alles aan te tonen of te bewijzen. We kijken naar klimaatregulatie en temperatuurstabilisering, naar de samenstelling van de atmosfeer en naar het zoutgehalte van de zeeën. Dit zijn enkele van de cruciale zaken die de optimale condities voor biologisch leven scheppen - en die, omgekeerd, mede dóór biologische leven tot stand komen. Dat wederkerige is juist het intrigerende van de Gaia-theorie !

METEOROLOGIE


Meteorologisch is de aarde één groot samenhangend mechanisme,waarbij atmosfeer, (grote) watermassa's, (grote) landmassa's op verschillende manieren (door temperatuur, vochtigheid, materie) voortdurende inter-actie vertonen. De foto van de aarde, genomen tijdens een maanvlucht, toont overduidelijk hoe winden, orkanen, (zee)stromingen, luwten, en weersoorten samenspelen rond onze wereldbol.
Overigens:
Het meteorologische lijkt allemaal nog met gewone materie te maken te hebben: het gaat over lucht, water, zand, gesteente, warmte en koude. Maar nu het samenspel met levende wezens ? Daarvoor moeten we wat dieper kijken, letterlijk en figuurlijk. 

BELANGRIJKSTE IDEEËN

De kern van de GAIA-theorie is, zoals al gezegd, dat de aarde functioneert als één enkel levend organisme, dat zichzelf in evenwicht houdt. Dat betekent dat biologische processen en niet-levende elementen (zoals oceanen, de atmosfeer, gesteenten) samenwerken om een stabiele omgeving te creëren, die het leven ondersteunt en die bijdragen tot de bewoonbaarheid en leefbaarheid van de aarde. Ik noem hier vijf factoren:

1. Klimaatregulatie: Micro-organismen, de opnamecapaciteit door de oceanen, de opname door planten, zijn wezenlijke factoren die het CO2-niveau in de atmosfeer beïnvloeden, wat op zijn beurt grote invloed heeft op het klimaat.

2. Temperatuurstabilisatie: Reflectie van zonlicht door wolken en grote ijsmassa's draagt in grote mate bij tot stabiele temperaturen. Dit zgn. albedo-effect is tegenwoordig een punt van grote zorg omdat het geleidelijk aan afneemt door het smelten van grote ijsmassa's.

3. Het behoud van vloeibaar water in de hydrosfeer (alles wat met water te maken heeft). Met name vloeibaar water is waarschijnlijk het belangrijkste element van en voor het leven is, op alle niveaus, van de meest eenvoudige cellen tot de hoogst ontwikkelde organismen.

4. Stabiel zoutgehalte (de saliniteit) van het zeewater waardoor het leven van zeedieren mogelijk is en blijft.

5. Zuurstofbalans: Het zuurstofgehalte in de atmosfeer blijft binnen een bereik dat geschikt is voor (dierlijk) leven, dankzij de fotosynthese door planten, die kooldioxide opnemen en zuurstof produceren.
 

We werken een paar wonderlijke natuurlijke evenwichten hier iets verder uit.

KLIMAATREGULATIE EN STABILITEIT VAN TEMPERATUUR

De energie van de zon, en dus ook de straling naar de aarde, is sedert het ontstaan van de zon met 25 tot 30 procent toegenomen. Het hele systeem van de aarde (die kosmologisch vrij kort na de zon is ontstaan) heeft zich daar echter goed aan aangepast en is niet "oververhit" geraakt. Schommelend tussen hogere en lagere grenswaarden is het geheel 'bewoonbaar' gebleven.
        Helaas zijn we, na al die miljoenen jaren dat de natuur zichzelf in balans heeft gehouden, nu in een tijd gekomen (vooral de laatste twee eeuwen) dat wij mensen door een overvloedige hoeveelheid kooldioxide te produceren en methaan uit de aardkorst vrij te laten komen (via de opwarming), nu tot een situatie gekomen waarin de natuur 'het niet meer bijhoudt'. Vandaar nu alle acties om de productie van kooldioxide terug te dringen en het ontwikkelen van procedures om 'onuitputtelijke' en niet-vervuilende energiebronnen, zoals wind, water, zonlicht en aardwarmte, te gebruiken: de zgn. energietransitie.

ZOUTGEHALTE OCEANEN

Voor het biologische leven is het zoutgehalte van het water, waarin zich vrijwel alle leven ontwikkeld heeft en blijft ontwikkelen van cruciaal belang. Het is daarom treffend, dat het zoutgehalte van de oceanen al sinds honderden miljoenen jaren constant is, nl. rond 3,5 %.
Dit is verbazingwekkend, want er komt immers voortdurend 'zout' bij, bij voorbeeld via de erosie of het verweren van gebergten (chemische afbraakprocessen), waardoor via de rivieren steeds meer 'zout' in de zeeën komt. Toch bleef het gehalte van zouten in de oceanen globaal hetzelfde. Er zijn, zo heeft men ontdekt, meerdere (micro)organismen die reageren op een verhogend of verlagend zoutgehalte en die dit (ingenieus) corrigeren. Ook van(koraal)riffen is bekend dat ze zout opnemen uit hun omgeving en ook weer afgeven naar gelang van de 'noodzaak' voor de levensvatbaarheid van zichzelf en andere dierlijke en plantaardige organismen. Ook spelen bij voorbeeld lagunes (waarin de zee van tijd tot tijd 'overloopt') een rol, omdat daar zeewater stilstaat en verdampt en het zout ter plaatse neerslaat en dus aan de oceaan onttrokken wordt. Op die manieren blijven de voorwaarden voor een goed functionerend ecosysteem blijkbaar behouden.

ZUURSTOFGEHALTE ATMOSFEER

Zo bestaat er ook een stabiliserend mechanisme, dat het zuurstofgehalte in de atmosfeer constant houdt. Dat gehalte is al sedert vele miljoenen jaren stabiel op ongeveer 20 procent. Daarnaast bevat onze 'lucht' 79 procent stikstof, en verder kleine hoeveelheden andere gasvormige componenten zoals kooldioxide, stikstofoxiden, waterdamp en het edelgas argon.
Door verschillende vormen van oxidatie, dus reacties met zuurstof, zoals roesten van metalen voorwerpen, bosbranden e.d., zal dit gehalte aan zuurstof verminderen, zou men verwachten. Maar dat gebeurt niet. Vooral door het proces van fotosynthese in groene planten, waarbij zuurstof vrij komt, stuurt de natuur steeds weer bij 'naar behoefte' - en dat al vele miljoenen jaren lang, zodat met name alle dierlijke leven heeft kunnen floreren. Voor minstens een miljard jaren is het zuurstofgehalte, wel wat schommelend, maar wezenlijk gelijk gebleven.

TENSLOTTE

Het mag ons verbazen dat, na alle turbulentie in het lange proces waaruit sterren, spiraalnevels, onze zon en tenslotte de planeten rondom die zon ontstaan zijn, er één planeet is, waarop - opnieuw, na eerst heel wat turbulentie - een toestand is ontstaan, die prachtig gestabiliseerd is.

Een toestand waarin biologisch leven ontstaan en ontwikkeld is in een onvoorstelbare rijkdom en schoonheid, en waarin dat leven ook steeds creatief vóórtgaat, zelfs door meerdere fasen van extinctie (uitsterven van vormen van leven) heen. Daarbij is, misschien nog wonderlijker, ontdekt dat 'het leven' er niet 'passief' is, maar voortdurend actief mééspeelt in dit hele gebalanceerde ontwikkelingsproces, wat men (zoals eerder al beschreven) co-evolutie noemt.

Bij alle hierboven beschreven processen van stabilisering (klimaat, temperatuur, vloeibaar water, zoutgehalte en zuurstofgehalte) spelen biologische 'partners' voortdurend mee. Het is één groot dynamisch systeem, waarin het biotische en het a-biotische continu samenwerken. En dan hebben we het nog niet gehad over al die wonderlijke evenwichten in de wereld van de 'grotere' planten en dieren, waarin ook steeds het materiële (d.w.z. het a-biotische) helemaal is ingebouwd.

Blijkbaar is de héle schepping vanaf het begin al op leven aangelegd. Het hele universum is in zijn mogelijkheden en zijn bestemming uiteindelijk biofiel, leven-minnend. We zien dat nog niet meteen in de sterren en melkwegen, maar, na een zeer lange en bewogen ontwikkeling, blijkt dat nu overduidelijk op onze dierbare AARDE - destijds met veel bewondering GAIA genoemd ...

De strijd om de 'identiteit' van onze AARDE gaat nog steeds voort, maar laten we in ieder geval groeien in het daadwerkelijke besef dat GAIA veel meer zorg en respect verdient ! 

 
Johan Muijtjens
maart 2026